Logische pensioenleeftijd: 72 jaar (misverstanden over ouderdom en gezondheid)

(.) Tenminste als de politiek dezelfde afwegingen maakt als bij de invoering
van de Algemene Ouderdomswet in 1957, zo blijkt uit berekeningen van de
Volkskrant samen met demograaf Gijs Beets van het Nederlands
Interdisciplinair Demografisch Instituut (Nidi).
(.)
Topambtenaar Gerritse heeft op die ongefundeerde verhoging van 65 naar 67
een variant bedacht die de schatkist nog meer oplevert: de AOW-leeftijd met
de levensverwachting mee te laten ademen. De aanname is dat die
levensverwachting sinds de pensioenleeftijd op 65 jaar werd vastgepind, met
circa dertien jaar is gestegen.
Maar dat klopt niet, zeggen demografen. Beets. ‘Dat is de levensverwachting
waar baby’s op kunnen rekenen, maar het geeft geen pas die te gebruiken als
je het over 65-plussers hebt. Je moet kijken naar hoeveel jaar mensen nog te
leven hebben vanaf het moment dat ze de 65 hebben gehaald. Dan is de
uitkomst minder spectaculair.’
In 1957 konden 65-jarige mannen erop rekenen dat ze nog circa veertien jaar
te leven hadden. Ze werden gemiddeld 79 jaar. Nu worden ze gemiddeld drie
jaar ouder: 82 jaar. En volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek is
dat in 2050, 86 jaar. Of de pensioenleeftijd op grond daarvan nu met drie
jaar moet worden verhoogd en dan in 2050 naar 72, is een kwestie van kiezen.
In honderd jaar is dan de levensverwachting van mannelijke 65-plussers met
zeven jaar toegenomen. Voor vrouwen zou dat acht jaar zijn. ‘Of je op grond
van dat gegeven de pensioenleeftijd moet verhogen, is een vraag die de
politiek moet beantwoorden’, zegt Beets. Daarbij moet een belangrijk gegeven
niet worden vergeten. In vergelijking met vijftig jaar geleden worden
65-plussers door een betere gezondheidszorg ouder. Maar het aantal jaren dat
ze na hun 65ste zonder gebreken en ziektes hebben is ten opzichte van de
jaren vijftig gedaald. ‘Dat is de paradox van de zorg voor ouderen. We
lijden langer. (.)
(.)

3 maart 2009 Categorie: Pensioenen  Meer van: ,