Knellende boorden (kindermisbruik RK relatief gering)

Onthullingen over seksueel misbruik van minderjarigen door katholieke priesters versterken de kritiek op het celibaat. Maar het verband is nooit aangetoond.

(..)

(..)

De controverse rond het celibaat – een disciplinaire regel, geen theologisch leerstuk – is al oud. Peter Raedts is hoogleraar middeleeuwse geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen en is net als Huub Oosterhuis een uitgetreden jezuïet. “Het christendomâ€, zegt hij, “heeft van meet af aan de maagdelijke levenswijze aangeprezen. Dat begon al met Paulus’ eerste brief aan de Korintiërs. (..)

In de eerste eeuwen van de Kerk waren priesters en bisschoppen oudere, getrouwde mannen. Maar vanaf de vijfde eeuw kregen zij de aanbeveling celibatair te leven. Als een man tot bisschop werd verheven, werd hem verteld dat hij geen seks meer mocht hebben met zijn vrouw. (..)

Raedts: “In de late Oudheid bestond in de hele samenleving wantrouwen tegen seksualiteit. (..)

De celibaatsverplichting voor gewone priesters ontstond pas in de 11de eeuw. Raedts: “Dat ging geleidelijk. Gelovigen liepen weg bij getrouwde priesters die de mis opdroegen; het was een beweging van onderop voor meer ‘zuiverheid’. (..)

(..)

Maar het ging niet vanzelf. De historicus Arnoud-Jan Bijsterveld (Universiteit Tilburg) schrijft in zijn dissertatie dat in de Lage Landen tussen 1400 en 1500 meer dan de helft van de priesters samenleefde met een vrouw. Raedts: “Ik vermoed dat het celibaat zeker bij lagere geestelijken alleen in naam geëerd werd, en dat daar weinig maatschappelijk verzet tegen was.â€

De Contrareformatie, die begon met het Concilie van Trente (1545-1563) pakte de priesteropleiding aan, maar ook daarna leefden veel priesters niet-celibatair. Raedts: “Wij denken bij de Katholieke Kerk aan een strakke hiërarchie, maar die dateert van de 19de eeuw. De Kerk was lang heel verbrokkeld en was vaak niet in staat om disciplinaire maatregelen te nemen.â€

In het kielzog van de Verlichting en de Franse Revolutie gingen er aan het begin van de 19de eeuw stemmen op onder katholieke geestelijken om het celibaat af te schaffen. Met dezelfde argumenten als die van Luther: dat het onnatuurlijk was, dat een geestelijke dichter bij de mensen stond als hij vrouw en kinderen had.

(..)

De vraag waarom de Kerk heeft vastgehouden aan het celibaat houdt ook Raedts bezig: “Het argument dat altijd wordt genoemd is een idealistisch motief; een priester moet totaal beschikbaar zijn voor zijn kudde. Maar ik denk, eerlijk gezegd, dat het om macht gaat. Celibatairen doen denken aan de eunuchen van de Ottomaanse en Chinese hoven. Aan het hof van Byzantium was het gebruikelijk dat priesters en bisschoppen zich vrijwillig lieten castreren. Het celibaat waarborgt ongedeelde loyaliteit. Niemand in de Kerk zal het ooit hardop zeggen, maar men vreest door afschaffing de greep op de geestelijkheid te verliezen.â€

(..)

In 1999 verscheen het boek Bless me father, for I have sinned – Perspectives on Sexual Abuse Committed by Roman Catholic Priests. Schrijver was de Amerikaan Thomas Plante, hoogleraar psychologie aan Santa Clara University en universitair hoofddocent psychiatrie aan de Stanford School of Medicine. Plante onderzocht in de loop der jaren tientallen priesters en broeders die waren beschuldigd van seksueel misbruik van minderjarigen en extrapoleerde uit de gegevens van zijn klinische praktijk. Daaruit maakt hij op dat 2 tot 5 procent van de Amerikaanse priesters seks heeft gehad met iemand onder de 18. Volgens Plante wijkt dit cijfer niet af van andere, niet-celibataire kerkgenootschappen en ligt het lager dan dat van de mannelijke bevolking als geheel, dat hij houdt op 8 procent.

Dat misbruik in de Katholieke Kerk tot meer publicitaire ophef leidt en meer publieke verontwaardiging wekt dan misbruik in andere kerken, in scholen en sportverenigingen, schrijft Plante toe aan een combinatie van factoren: de kerkelijke aanspraak op moreel gezag, het gesloten karakter van de organisatie en de defensieve reactie op klachten. Misbruik kon in het verleden zo lang doorgaan en individuele misbruikplegers konden zoveel slachtoffers maken omdat de Kerk niet optrad, uit angst voor reputatieschade of schadeclaims. De omvang van het misbruik in de kerk is waarschijnlijk vooral een kwestie van regelmatige recidive. Niet van relatief veel daders, maar van veel slachtoffers per dader. Dat blijft schokkend, maar ondergraaft de celibaattheorie.

(..) In juni 2002 gaf de voltallige Amerikaanse bisschoppenconferentie opdracht tot een grootschalig, onafhankelijk onderzoek naar de aard en omvang van seksueel misbruik van minderjarigen door de geestelijkheid. Het onderzoek werd uitgevoerd door het John Jay College of Criminal Justice van de City University of New York. Onderzoeksleider was criminoloog Karen Terry. Haar team mocht surveys uitvoeren in 97 procent van de bisdommen. De onderzoekers kregen inzage in de (geanonimiseerde) gegevens over alle priesters tegen wie aanklachten waren ingediend en over al hun slachtoffers.

(..)

De Amerikaanse exercitie heeft de betrouwbaarste schatting tot nu toe opgeleverd van het aantal priesters dat zich de afgelopen halve eeuw schuldig heeft gemaakt aan seksueel misbruik van minderjarigen: 4 procent van de voltallige clerus. Voor een toetsing van de celibaattheorie is een even betrouwbaar percentage nodig voor de Amerikaanse samenleving als geheel. En dat is er niet.

(..)

20 maart 2010 Categorie: Leiderschap, Mores, Veiligheid  Meer van: ,