Uitsluiting is vaker bron van conflict dan etniciteit

Het merendeel van de burgeroorlogen heeft tegenwoordig een etnische
achtergrond. Niet het gedwongen samenleven is de oorzaak, maar onderlinge
uitsluiting.
(..)
Uitsluiting speelt de hoofdrol in een nieuwe theorie van drie sociale
wetenschappers. Zij vergeleken alle conflicten na de Tweede Wereldoorlog. In
de twintigste eeuw zijn etnische ressentimenten de voornaamste drijfveer
geworden van gewelddadige conflicten. Tussen het Congres van Wenen (1814/15)
en het Verdrag van Versailles (1919) werd maar 20 procent van de oorlogen
uitgevochten in naam van nationale bevrijding of etnische autonomie. Van de
Eerste Wereldoorlog tot 2001 steeg dat percentage naar 45 en na de Koude
Oorlog zelfs tot 75.
In de sociale wetenschappen woedt een debat over de oorzaken van
burgeroorlogen. Volgens de invloedrijkste school verklaart de factor
etniciteit niets en schuilt het conflict in de zwakte van staten en in de
rijkdom van de buit (mineralen). Andere wetenschappers beschouwen etnische
diversiteit in een land juist als d. conflictbron. Weer anderen zoeken de
verklaring in de mobilisering van achtergestelde minderheden.
De Zwitserse antropoloog Andreas Wimmer, de Zweedse computerexpert Lars-Erik
Cederman en de Amerikaanse politicoloog Brian Min schrijven in de American
Sociological Review, op basis van nieuw onderzoek, dat al deze scholen er
naast zitten. (..)
(..)

28 april 2009 Categorie: Multicultuur  Meer van: ,